Menu

Rare jongens, die christenen.

Rare jongens, die chris­te­nen, om de woor­den van een be­kend strip­fi­guur te ge­brui­ken. Na 2000 jaar den­ken we nog steeds dat ons ge­loof een ver­schil kan ma­ken voor de we­reld. Toen ik voor­gan­ger was in Nij­megen, vroeg een buur­man een keer uit hoe­veel men­sen de ge­meen­te be­stond. “On­ge­veer veer­tig men­sen,” ant­woord­de ik. Hij keek me aan en zei zo­iets als “daar ver­ander je de we­reld toch niet mee?” Ik weet zijn woor­den niet meer pre­cies, maar dit was de strek­king. Met een man of veer­tig be­gin je niks. Wij, chris­te­nen, le­ven met een il­lu­sie en daar hou­den we kram­pach­tig aan vast. In heel Eu­ro­pa holt de kerk­gang ach­ter­uit. Wat heeft het voor zin om door te gaan?

Na­tuur­lijk ken­nen we de ver­halen van het be­gin: Je­zus be­gon met twaalf dis­ci­pe­len en dat groei­de uit tot een we­reld­wij­de be­we­ging. Een hand­je­vol men­sen zet­te de we­reld op zijn kop. Maar dat was “toen”. De re­a­li­teit van “nu” is an­ders in ons post-chris­te­lij­ke tijd­perk. De twaalf van Je­zus be­reik­ten meer dan de veer­tig van Nij­me­gen, dat kan ik moei­lijk ont­ken­nen. Daar kun je veel re­de­nen bij ver­zin­nen: in de eer­ste tijd brach­ten de ge­lo­vi­gen een nieu­we bood­schap vol hoop. Nu wordt het chris­ten­dom ge­zien als een ach­ter­haald, ou­der­wets ge­loof dat ons geen be­te­re we­reld heeft op­ge­le­verd. Eer­lijk ge­zegd ge­lo­ven we diep van bin­nen zelf niet meer dat de he­le we­reld kan ver­an­de­ren. Ja, er zijn men­sen die ver­an­de­ren, maar dat zijn de uit­zon­de­rin­gen. We heb­ben de hoop op­ge­ge­ven dat er ooit nog een ech­te op­wek­king zal ko­men. We spre­ken de woor­den nog wel en we zet­ten het nog steeds in de of­fi­ci­ë­le stuk­ken van on­ze ge­meen­te, maar het is am­per meer dan een paar smeu­len­de ko­len in een bij­na uit­ge­blust vuur.

Ik denk dat we de fo­cus moe­ten ver­an­de­ren. Niet meer naar de aan­tal­len kij­ken (daar zou je soms de­pres­sief van wor­den), maar naar het­geen wat God kan be­te­ke­nen voor die an­der. Wat mist ie­mand als hij of zij God niet kent? Dan be­doel ik niet al­leen maar het eeu­wig leven, maar ook bij­voor­beeld het be­sef dat er Ie­mand van ons houdt, ons be­grijpt en ons bij­staat. In fei­te dus door­ge­ven wat we zelf heb­ben ge­von­den. Kij­ken naar aan­tal­len maakt de zaak ab­stract. Maar on­ze me­de­mens is geen ab­stract cij­fer, maar een le­vend per­soon die Gods lief­de no­dig heeft.

En de we­reld? Die ver­an­dert van­zelf als de men­sen echt wor­den aan­ge­raakt door Je­zus Chris­tus. Toe­ge­ge­ven, dat duurt een hele poos, mis­schien wel eeu­wen, op z’n minst tien­tal­len ja­ren. Toch is het on­ver­mij­de­lijk het ge­volg van ver­an­der­de le­vens. Het lijkt een il­lu­sie, een on­be­reik­baar lucht­ka­steel. Maar ik blijf er kop­pig in ge­lo­ven, te­gen al­le re­a­li­teit in. Kop­pig­heid kan soms heel goed zijn. Laat mij maar zo’n ra­re jon­gen blij­ven.

(Publicatiedatum: 26 december 2017)

 

Henk van de Weg
Auteur van “De Getrouwen van Ro`eh”